
Twee niveaus heb je in je: het niveau van de mind en het
niveau van de no-mind. Of, laat ik het op deze manier zeggen:
het niveau wanneer je aan de omtrek van je wezen bent en het
niveau wanneer je in het middelpunt van je wezen bent. Elke
cirkel heeft een middelpunt – ‘t kan zijn dat je het weet, ‘t
kan zijn dat je het niet weet. ‘t Kan zijn dat je zelfs niet
eens vermoedt dat er een middelpunt is, maar het moet er zijn.
Jij bent een omtrek, je bent een cirkel – daar is een middelpunt.
Zonder het middelpunt kun je niet bestaan; daar ligt je
wezenskern.
In dat middelpunt ben je al een boeddha, een siddha, iemand die
al thuisgekomen is. Aan de omtrek verkeer je in de wereld – in
de mind, in dromen, in verlangens, in zorgen, in duizend-en-een
spelletjes. Maar je bent allebei.
Langzaam maar zeker gaat het je lukken je, heel gladjes, van de
omtrek af naar het middelpunt te begeven en vanuit het
middelpunt naar de omtrek – precies zoals jij je huis in en je
huis uitloopt. Je schept helemaal geen tweedeling. Je zegt niet:
Ik ben buiten, dus hoe kan ik het huis dan ingaan? Je zegt niet:
‘Ik ben binnen, dus hoe kan ik dan naar buiten gaan?’ Buiten is
het zonnig, is
het warm, prettig – je gaat buiten in de tuin zitten. Dan wordt
het heter en heter, en je gaat transpireren. Nu is het niet
langer prettig – het wordt onaangenaam, dan sta je gewoon op en
je gaat het huis binnen. Daar is het koel; daar is het niet
onaangenaam. Nu is het daar prettig. Zo ga je door met naar
binnen en naar buiten te gaan.
Op dezelfde manier begeeft een man van gewaarzijn en begrip zich
van de omtrek af naar het middelpunt, van het middelpunt naar de
omtrek. Hij blijft nooit ergens vastzitten. Van het marktplein
naar het klooster, van extravert naar introvert – hij blijft
zich voortdurend bewegen omdat dit zijn twee vleugels zijn; ze
gaan niet tegen elkaar in. Ze kunnen in tegenovergestelde
richtingen in balans zijn – dat moeten ze wel. Als beide
vleugels aan een kant zitten, kan de vogel niet vliegen – ze
moeten in balans zijn, ze moeten in tegenovergestelde richtingen
zitten, maar toch horen ze bij dezelfde vogel. Ze staan dezelfde
vogel ter beschikking.
Je buitenkant en je binnenkant zijn je vleugels. Dit moet je in
alle ernst onthouden, omdat er een mogelijkheid bestaat... de
mind heeft de neiging zich vast te pinnen. Er zijn mensen die
vastgepind zitten op het marktplein. Die zeggen dat ze daar niet
van los kunnen komen; die zeggen dat ze geen tijd voor meditatie
hebben. Die zeggen dat ze, zelfs als er tijd is, niet weten hoe
ze moeten mediteren en ze geloven niet dat ze het kunnen. Ze
zeggen dat ze werelds zijn – hoe kunnen ze dan mediteren? Ze
zijn materialistisch – hoe kunnen ze dan mediteren? Ze zeggen:
‘Helaas, wij zijn extravert – hoe kunnen we dan naar binnen gaan?’
Zij hebben enkel één vleugel gekozen. En, vanzelfsprekend, als
daar frustratie uit voortkomt, dan is dat heel gewoon. Met één
vleugel kan het niet anders of er komt frustratie uit voort.
Dan zijn er mensen die van de wereld zijn gaan balen en eruit
ontvluchten, die het klooster ingaan en naar de Himalaya, die
monnik worden. Die gaan in hun eentje leven, dringen zichzelf
een leven van introversie op. Ze doen hun ogen dicht, ze doen
alle deuren en ramen dicht, ze worden als de monaden van
Leibnitz – raamloos – dan vervelen ze zich stierlijk.
Op het marktplein baalden ze, ze waren het moe, ze waren
gefrustreerd. Het ging meer op een gekkenhuis lijken; ze konden
geen rust vinden. Er waren teveel relaties en niet genoeg vrije
tijd, niet genoeg ruimte om zichzelf te zijn. Ze waren bezig om
te komen in spullen, bezig hun wezen te verliezen. Ze werden
meer en meer stoffelijk en minder en minder spiritueel. Ze
raakten hun richting kwijt. Ze raakten heel het bewustzijn kwijt
dat ze bestaan. Ze gingen op de vlucht. Balend, gefrustreerd
zijn ze op de vlucht gegaan. Nu proberen ze in hun eentje te
leven – een leven van introversie. Vroeg of laat gaan ze zich
vervelen. Die hebben een andere vleugel gekozen, maar weer
slechts één vleugel. Dit is de manier van een eenzijdig leven.
Weer zijn ze in dezelfde denkfout vervallen, aan de
tegenovergestelde pool.
Ik ben noch voor het een noch voor het ander. Ik zou graag zien
dat je zo capabel wordt dat je op het marktplein kunt blijven en
toch meditatief kunt zijn. Ik zou graag willen dat je met mensen
omgaat, om lief te hebben, je in ontelbare relaties te begeven –
want die zijn verrijkend – en dat je toch in staat blijft om je
deuren dicht te doen en je af en toe een dagje vrij te maken van
alle relaties, zodat je met je eigen wezen in relatie kunt
treden, daarmee ook.